Lucepedia

Digitale theologische encyclopedie

Verantwoordelijke redacteur dossier: Hans van Loon
Dossiers » Geloofsbelijdenissen: pelagiaanse » introductie » Pelagiaanse geloofsbelijdenissen

Pelagiaanse geloofsbelijdenissen

Pelagius

Het enige volledig bewaard gebleven werk van Pelagius dat ook is geschreven in verband met de pelagiaanse controverse, is zijn geloofsbelijdenis (Libellus fidei). Hierin verdedigt Pelagius zich tegen de veroordeling door de bisschop van Rome, Innocentius I, in februari 417. Aangezien Innocentius was overleden, toen het document in Rome aankwam, heeft diens opvolger Zosimus het behandeld. Aanvankelijk heeft een Romeinse synode op basis van de geloofsbelijdenis uitgesproken dat Pelagius rechtzinnig was, later heeft Zosimus hem en zijn leerling Caelestius alsnog veroordeeld.

In deze opmerkelijke tekst verweert Pelagius zich op gematigde toon, aansluitend bij andere gangbare geloofsbelijdenissen van zijn tijd: hij belijdt uitvoerig de leer van de Drie-eenheid en spreekt zich in orthodoxe zin uit over een aantal christologische kwesties. Ook verwerpt hij een aantal origenistische leerstellingen over de oorsprong van de ziel en de opstanding uit de doden. In het slotgedeelte gaat hij steeds duidelijker in op de kwesties die aan de orde waren: doop, vrije wil, de noodzaak van Gods genade. Overigens noemt Pelagius daarbij het thema ‘erfzonde’ niet expliciet.

Van de tekst zijn vele handschriften bewaard gebleven, omdat hij onder namen van orthodoxe kerkvaders als Hieronymus en Augustinus werd gepubliceerd. Pas in 1596 werd duidelijk dat het een tekst van Pelagius betrof.

Zie verder: Pelagius: geloofsbelijdenis.

Caelestius

Caelestius was tegelijk met Pelagius door Innocentius I veroordeeld. Ook hij tekende beroep aan, maar deed dat door persoonlijk van Efeze naar Rome te reizen en zich daar te verdedigen. Tijdens zijn verdediging presenteerde ook hij een geloofsbelijdenis, beginnend met de leer van de Drie-eenheid, langs de gebruikelijke artikelen van het credo tot en met de opstanding van de doden. Vervolgens ging hij in op de thema’s die tot zijn veroordeling hadden geleid, maar hij deed dat explicieter dan Pelagius.

Zo sneed hij het thema erfzonde onomwonden aan. Hij beleed de noodzaak om zuigelingen te dopen ter vergeving van zonde, om daaraan toe te voegen dat er geen sprake kon zijn van peccatum ex traduce: ‘zonde die overgeërfd wordt’. Een mens wordt niet met zonde geboren, aldus Caelestius’ geloofsbelijdenis, omdat de zonde niet aan de natuur maar aan de vrije wil moet worden toegeschreven.

Ondanks deze expliciete verwerping van de erfzonde was Zosimus onder de indruk van Caelestius’ belijdenis. Samen met Pelagius werd ook Caelestius als rechtgelovig aangemerkt in de brieven van Zosimus. Dat Caelestius later alsnog door dezelfde Zosimus veroordeeld werd, leverde dan ook het nodige protest op. Augustinus zou later Zosimus’ stap verdedigen door te stellen dat de bisschop van Rome niet Caelestius’ belijdenis had goedgekeurd, maar zijn bereidheid om zich te schikken naar het oordeel van de Apostolische Stoel. Die versie van het verhaal lijkt echter moeilijk te rijmen met Zosimus eerste brieven, die ook bewaard zijn gebleven.

De complete tekst van Caelestius’ belijdenis is niet bewaard gebleven. Alles wat ervan rest is een beschrijving en drie citaten in het werk van Augustinus. De Jezuïet Jean Garnier heeft in de zeventiende eeuw geprobeerd met behulp van een andere tekst de hele geloofsbelijdenis te reconstrueren, maar die poging moet als onhoudbaar worden beoordeeld. Onder invloed van zijn reconstructie is de indruk ontstaan dat de belijdenissen van Pelagius en Caelestius als twee druppels water op elkaar leken. Dat is blijkens de citaten bij Augustinus echter geenszins het geval.

Johannes van Jeruzalem

Pelagius vluchtte in 410 weg uit Rome, dat in handen van de Westgoten was gevallen, en vestigde zich in Jeruzalem. Daar verwierf hij al snel de steun en sympathie van bisschop Johannes (356-417). Uit de bronnen weten we dat die steun Johannes op kritiek is komen te staan. Zo schreef Augustinus hem hierover een diplomatieke, maar op de keper beschouwd tamelijk kritische brief.

Of Johannes ook hardop van ketterij beschuldigd is, is uit de bronnen niet bekend. Maar er is wel een geloofsbelijdenis van hem bewaard gebleven, die in die richting wijst. Naar goed gebruik belijdt hij de leer van de Drie-eenheid en bespreekt hij enkele christologische thema’s (onder meer docetisme). Vervolgens gaat hij in op de schepping van de mens, die goed en zondeloos is gemaakt, maar met een vrije wil. Door die wil is de mens in staat in deugd te leven, met de bijstand van Gods genade. Als een mens zondigt, ligt dat niet aan dwang door de menselijke natuur maar aan de nalatigheid van de vrije wil. Het feit dat Johannes zich genoodzaakt ziet om een eigen geloofsbelijdenis te formuleren en daarbij zich uit te spreken over zaken die Pelagius voor de voeten waren geworpen, is opvallend. Kennelijk voelde hij zich genoodzaakt zich te verdedigen, en was hij dus direct of indirect onder vuur komen te liggen wegens ketterij of steun aan ketters.

Johannes overleed in januari 417, kort voor bisschop Innocentius van Rome Pelagius en Caelestius veroordeelde. Pelagius heeft zijn eigen belijdenis niet op die van Johannes gebaseerd, hoewel er wel een paar parallellen zijn. Na de dood van Johannes kreeg Pelagius ook steun van diens opvolger als bisschop van Jeruzalem: Praylius. Deze stuurde een aanbevelingsbrief naar Innocentius om de zaak van Pelagius te bepleiten.

De tekst van Johannes’ geloofsbelijdenis is bewaard in een zeer oud Syrisch manuscript, dus vertaald uit het Grieks, en is pas in de negentiende eeuw herontdekt door de Noorse geleerde Carl Paul Caspari. Hij heeft zijn editie voorzien van een Duitse vertaling.

‘Julianus van Aeclanum’

Aan het eind van de zestiende eeuw ontdekte de Franse geleerde Jacques Sirmond in een zeer oud handschrift uit Verona (dat nu waarschijnlijk verloren is gegaan) een anonieme geloofsbelijdenis. De tekst, zo was duidelijk, was van een pelagiaanse signatuur. Sirmond schreef de tekst in zijn notitieboek over en voorzag deze van aantekeningen, maar publiceren kwam er niet van. Kort voor zijn dood verzocht hij zijn jongere collega Jean Garnier om ernaar te kijken en voor publicatie te zorgen. Dat deed hij, en zodoende verscheen de tekst in 1673 voor het eerst in druk.

Garnier was ervan overtuigd dat de geloofsbelijdenis door de bekende ‘pelagiaan’ Julianus van Aeclanum was geschreven, een hypothese die bij latere onderzoekers zowel op bijval als kritiek kon rekenen. Sommige onderzoekers hangen de hypothese aan dat een groep bisschoppen uit de provincie Aquileia de belijdenis heeft gericht aan bisschop Augustinus van Aquileia. Er is geen sprake van consensus over gelegenheid, auteurschap en adressering.

De tekst verwijst naar de beide geloofsbelijdenissen van Caelestius en Pelagius, en is gezien de vele parallellen duidelijk op de laatste van die twee gebaseerd. De belijdenis is expliciet gericht aan Augustinus, maar onderzoekers vermoeden dat hier eerder Augustinus van Aquileia dan de bekende bisschop van Hippo wordt bedoeld. Garnier suggereerde zelfs de naam te schrappen en ‘Zosimus’ (de bisschop van Rome) te lezen, een wat al te doortastende oplossing. Aan ‘Augustinus’ wordt gevraagd om Pelagius en Caelestius en hun theologie te accepteren, of hun anders op een algemene synode de kans te geven zich te verweren.

Qua benadering en theologie gaat de geloofsbelijdenis verder dan die van Pelagius. De tekst is een stuk langer en er wordt veel plaats ingeruimd voor bijbelcitaten. Ook gaat de confessie uitvoerig in op de menselijke natuur, culminerend in een verwerping van ‘natuurlijke zonde of hoe die verder ook mag worden genoemd’ – een duidelijke verwijzing naar de erfzonde. In dit opzicht vindt de tekst nauwere aansluiting bij Caelestius dan bij Pelagius. Het concept erfzonde was volgens de auteur(s) in strijd met het bijbelse getuigenis. De belijdenis besluit met een lang citaat uit een preek van Johannes Chrysostomus, waarin deze stelt dat pasgeboren kinderen geen zonden hebben (en dus geen erfzonde, wil ‘Julianus’ maar zeggen).

‘Ambrosius van Chalcedon’

Er is nog een andere versie van de geloofsbelijdenis van ‘Julianus’, die er sterk op lijkt en er dan ook van lijkt te zijn afgeleid. Volgens het enig bewaard gebleven handschrift is de auteur ene ‘Ambrosius van Chalcedon’. Uit de bronnen is echter verder niemand met deze naam bekend. Waarschijnlijk is deze dan ook onjuist, zoals wel vaker het geval is met ‘pelagiaanse’ geschriften. Naar de naam van de werkelijke auteur kunnen we slechts raden.

Evenmin is duidelijk waarom en wanneer precies deze geloofsbelijdenis is geschreven. De thema’s die erin aan de orde komen, lijken sterk op die van ‘Julianus’. Het typisch pelagiaanse gedeelte is echter aanzienlijk korter en lijkt te zijn herschreven. De nadruk ligt op de vraag of het een vorm van hoogmoed is om te zeggen dat de mens de zonde vermijden kan. Nee, luidt het antwoord, het is slechts bedoeld om de verantwoordelijkheid voor de zonde bij de mens te laten. De kwestie ‘erfzonde’ komt, opvallend genoeg, niet aan de orde.

‘Rufinus de Syriër’

De Liber de fide (boek over het geloof) van ‘Rufinus de Syriër’ is eigenlijk geen geloofsbelijdenis. Het is eerder een uitgebreide uiteenzetting die in grote lijnen op een geloofsbelijdenis gebaseerd is. Ook komen de gebruikelijke thema’s van pelagiaanse credo’s aan bod: Triniteit, christologie, origenisme, erfzonde, antropologie, zonde, genade en wilsvrijheid. Om die reden moet deze tekst ook in ons overzicht genoemd worden.

De naam ‘Rufinus de Syriër’ is in de zeventiende eeuw bedacht door de Franse Jezuïet Jean Garnier en voor het eerst wereldkundig gemaakt in zijn editie van de werken van Marius Mercator (Parijs, 1673). Hoewel zijn hypothese tot in de huidige tijd aangehangen wordt door veel wetenschappers, is ze recent uitvoerig weerlegd door Walter Dunphy. Het thans enig overgebleven handschrift (bewaard in St. Petersburg) spreekt wel over ene ‘Rufinus’, maar mogelijk is Rufinus van Aquileia bedoeld. Voor zover er enige tijd geleden al van een consensus over het auteurschap sprake was, is deze nu geheel verdwenen.

Ook de precieze bedoeling en ontstaanstijd van het werk is niet duidelijk. Parallel met de ‘Rufinus de Syriër-hypothese’ werd tot voor kort aangenomen dat de Liber de fide het oudste werk van pelagiaanse strekking was dat bewaard is gebleven. De datering varieerde van eind vierde tot begin vijfde eeuw. Het zou om een belangrijk en grondleggend document gaan dat Pelagius, Caelestius en Julianus van Aeclanum tot inspiratiebron had gediend. In dat geval zou de uiteindelijke bron van het pelagianisme in het oosten gezocht moeten worden, waar ‘De Syriër’ vandaan kwam. Maar nu het auteurschap ter discussie staat, is ook de discussie over plaats, doel en ontstaanstijd van dit raadselachtige document weer open.

Credo’s en pelagianen – een unieke combinatie?

Uit deze collectie geloofsbelijdenissen zou de indruk kunnen ontstaan dat het vooral onder pelagianen ‘in de mode’ was om een geloofsbelijdenis te schrijven. Dat kan weer vreemd overkomen bij wie een geloofsbelijdenis met orthodoxie associeert en pelagianisme met ketterij. Misschien zijn enkele verhelderende opmerkingen op zijn plaats.

Allereerst was het in de late oudheid niet ongebruikelijk om een geloofsbelijdenis te schrijven, vooral wanneer er vragen waren ontstaan over je rechtgelovigheid. Er zijn vrij veel ‘private creeds’ (persoonlijke geloofsbelijdenissen) bewaard gebleven van mensen die onder vuur waren komen te liggen. Zo schreven onder meer Arius, Eusebius en Leporius een eigen belijdenis. De functie daarvan was om bondig duidelijk te maken welke geloofsopvattingen men voorstond.

Uiteraard was het daarbij de bedoeling dat die als orthodox herkend en erkend zou worden. Dergelijke geloofsbelijdenissen sloten daarom deels aan bij de traditie (bijvoorbeeld de doopbelijdenis van de stad waar men woonde, of de geloofsbelijdenis van Nicea). Maar deels gebruikten ze ook uitdrukkingen en zinswendingen van tegenstanders, die dan iets aangepast of uitgebreid werden om de eigen positie duidelijker te laten uitkomen. Dat wordt wel het ‘blokkendoosmodel’ genoemd, dat recent in kaart is gebracht door de Duitser Markus Vinzent.

Dat er een bijzonder verband zou zijn tussen pelagianen en geloofsbelijdenissen, is slechts schijn. Het enige dat de pelagianen gemeenschappelijk hadden, was dat ze op de een of andere manier genoodzaakt waren zich te verdedigen. Ze deden dat door allen hetzelfde, gebruikelijke genre aan te wenden: dat van de geloofsbelijdenis.

Dat zowel Pelagius als Caelestius als Johannes een geloofsbelijdenis opstelden, hoeft dus niet te betekenen dat ze dat hadden gecoördineerd, zoals door sommige onderzoekers wel is verondersteld. Ze bevonden zich eenvoudigweg ‘in hetzelfde schuitje’. Alleen de credo’s van ‘Ambrosius van Chalcedon’, ‘Julianus’ en Pelagius zijn aantoonbaar aan elkaar ontleend (in die volgorde).

Door een geloofsbelijdenis te schrijven, probeerden de pelagianen duidelijk te maken dat ze wat hen betreft deel uitmaakten van de wereldwijde, apostolische kerk. Ondanks dat tegenstanders als Augustinus en Hieronymus daar heel anders over dachten. Hoe hun opvattingen verder ook beoordeeld mogen worden, de pelagianen waren zeker geen schismatici (mensen die zich van de kerk wilden afscheiden).

(door Peter van Egmond)



Bron: Tilburg School of Catholic Theology, met dank aan Peter van Egmond.